Roekeloos rijgedrag?

Het lijkt er op dat tot nu toe maar weinig mensen door rechters worden veroordeeld wegens roekeloos rijden. Voor slachtoffers en nabestaanden is dat vaak onbegrijpelijk en onverteerbaar.

De Hoge Raad der Nederlanden (het hoogste rechtscollege in Nederland) hanteert een drietal criteria voor een veroordeling voor roekeloos rijden:

  1. er moet sprake zijn van buitengewoon onvoorzichtig rijgedrag
  2. door dat verkeersgedrag moet er een zeer ernstig gevaar zijn veroorzaakt
  3. de bestuurder moet zich hiervan bewust zijn geweest, of had dat moeten zijn.

De rechter zal dus moeten motiveren dat voldaan is aan genoemde criteria. Slechts dan kan tot het bewijs van roekeloos rijden worden gekomen. Een voorbeeld daarvan is een recent vonnis van de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht.

Probleem is dus dat de term “roekeloos“ in het dagelijks spraakgebruik een andere betekenis heeft dan die in juridische zin.

Inmiddels is het Wetsvoorstel “aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in behandeling. Volgens de Memorie van Toelichting wordt met dit wetsvoorstel beoogd om de rechter meer mogelijkheden te bieden om een passende straf op te leggen bij de verscheidenheid die het verkeersstrafrecht kenmerkt.

Centraal staat hierbij de strafverhoging van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (“het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd“)  en de introductie van een (nieuw) artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

In laatst genoemd artikel wordt – op het niveau van wet – inhoudelijk aangegeven welk gedrag onder roekeloosheid wordt verstaan en zou wel eens een belangrijke rol kunnen gaan spelen om in het kader van zeer gevaarlijk rijgedrag met zeer ernstige gevolgen het begrip “roekeloosheid in het verkeer“ in te vullen.

De in voormeld artikel 5a WVW 1994 genoemde verkeersgedragingen worden – in tegenstelling tot artikel 5 WVW 1994 als overtreding – als misdrijf aangemerkt indien daarvan levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Artikel 5a WVW 1994 is in het wetsvoorstel als opzetdelict geformuleerd, waaruit op zich weer een bewijsproblematiek kan volgen, omdat bij enkele genoemde gedragingen het opzet niet eenvoudig te bewijzen zal zijn.

Tenslotte zal het de vraag zijn of de juridische interpretatie van het begrip roekeloos rijgedrag meer in overeenstemming zal komen met de maatschappelijke betekenis daarvan.

Contactpersoon

  • A.R. (Bram) van Roo