Wet aanpak schijnconstructies (WAS)

Ingevoerd op 19 oktober 2015

Per 1 juli 2015 is ook de Wet Aanpak Schijnconstructies (voor een deel) in werking getreden. Deze wet heeft tot doel oneerlijke concurrentie tussen bedrijven te voorkomen door onderbetaling van de werknemers. Daarmee wordt de positie van werknemers beschermd en wordt gestimuleerd dat opdrachtgevers met bonafide bedrijven zaken doen.

Om dit te bereiken zijn er een aantal wijzigingen in de wet ingevoerd (of staan op het punt om ingevoerd te worden), waaronder de invoering van de ketenaansprakelijkheid, de aanpassing van de Wet Minimumloon en de verplichting tot verdere loonspecificatie.

Ketenaansprakelijkheid voor loondoorbetaling (wijziging per 1 juli 2015)

Tot 1 juli 2015 had een werknemer in beginsel eigenlijk amper een mogelijkheid om een tekort aan loon elders te verhalen. Als het al mogelijk was, ging dit niet verder dan de hoogte van het minimumloon (in geval van uitzendarbeid 7:692 BW). Hierin heeft de WAS duidelijk verandering gebracht. In de wet is nu het volgende opgenomen:

Indien arbeid wordt verricht in dienst van de werkgever ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht of van aanneming van werk zijn de werkgever en diens opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van het aan de werknemer verschuldigde loon.

Het maakt niet uit of de partij een private of publieke partij is. Er wordt voor wat betreft de definitie van deze overeenkomsten aansluiting gezocht bij de wettelijke definities (en daarmee ook met de daarbij behorende uitzonderingen). Dat betekent concreet dat de verplichtingen niet gelden voor zover de opdrachtgever een particulier is (er wordt dan niet gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Ook geldt deze niet voor de vervoersovereenkomsten, omdat deze zijn uitgezonderd van de overeenkomst tot opdracht.

De bepalingen gelden ook niet indien er sprake is van een koopovereenkomst. Dus als de “besteller” een product koopt, valt hij als koper buiten de ketenaansprakelijkheid.

De bepalingen zijn opgenomen als onderdeel van het arbeidsrecht (artikel 7:616a en 616 b BW), met als doel de positie van werknemers te verstevigen. Dat betekent dus concreet, dat de aansprakelijkheid alleen dan aan de orde is, op het moment dat er arbeid wordt verricht door werknemers (en dus niet door zelfstandigen). De bepaling geldt zodra er in Nederland wordt gewerkt, dus ongeacht het recht dat in de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard.

Wat betekent dit concreet:

Wordt een werknemer niet betaald, of te weinig betaald, dan heeft hij de mogelijkheid om zijn eigen werkgever, maar ook de opdrachtgever aan te spreken op betaling van het (achterstallige deel aan) loon. Beide zijn hoofdelijk aansprakelijk. Werknemer mag beide partijen aanspreken. De aangesproken partijen kunnen onderling de vorderingen weer op elkaar verhalen (regres).

Levert dit geen betaling op, dan mag de werknemer vervolgens de naastvolgende opdrachtgever aanspreken. Het gaat hier niet om een hoofdelijke aansprakelijkheid, maar deze kan alleen worden aangesproken op het moment dat de eerdere aanspraken niet tot betaling leiden.

Het aanspreken van de navolgende opdrachtgever kan alleen op de in de wet concreet aangevoerde omstandigheden (aangesproken partijen hebben geen bekende woon- of verblijfplaats, partijen zijn niet ingeschreven bij de KVK, partijen zijn failliet en de boedel is onvoldoende om het loon te voldoen, de vonnissen jegens deze partijen kunnen niet ten uitvoer worden gelegd, opdrachtgever (niet werkgever) is niet aansprakelijk voor het niet voldoen van het loon, bijvoorbeeld omdat er een waarborg is afgegeven (certificaat/keurmerk) dat personeel wordt betaald conform het loon.)

Om dit mogelijk te maken is iedere schakel in de keten, desgevraagd en binnen 2 weken, verplicht de naam en adresgegevens te verstrekken van de naastvolgende partij waarmee hij zaken doet. Wordt dat geweigerd, dan kan werknemer de weigerende partij direct aansprakelijk stellen, in afwijking van de wettelijke volgorde die is omschreven in artikel 7: 616b BW).

Leidt dit alles binnen 1 jaar niet tot betaling, kan de hoofdopdrachtgever onder voorwaarden rechtstreeks worden aangesproken. Indien er sprake is van langdurige en forse onderbetaling, kan de hoofdopdrachtgever zelfs al naar 6 maanden worden aangesproken.

Wet Minimumloon (wijziging per 1 januari 2016)

Op dit moment is het nog mogelijk om diverse onkosten te verrekenen met het loon van een werknemer. Ook indien dit loon gebaseerd is op het wettelijk minimum loon, is verrekening mogelijk. Hierdoor konden werkgever en werknemer afspraken maken over het verrekenen van bepaalde  kosten met het loon, waardoor misbruik in de hand werd gewerkt.

Per 1 januari 2016 wordt dit aangepast, in die zin dat het minimum loon niet meer vatbaar is voor inhouding of verrekening. Met andere woorden er is niet alleen een aanspraak op het minimum loon, maar ook een recht.

Waaruit bestaan deze wijzigingen feitelijk?

  • Wettelijke verplichting tot girale uitbetaling van het (netto-equivalent van het) wettelijk minimum loon op rekening van de werknemer. Hierdoor ontstaat er zekerheid dat er daadwerkelijk loon is uitbetaald. Er kan dus alleen nog maar per bank worden uitbetaald en niet meer contant.
  • Inhoudingen op het loon zijn niet meer toegestaan (ook niet met een machtiging) als hierdoor minder dan het wettelijk minimum loon wordt uitbetaald. Er mag nog wel ingehouden worden op dat het loon dat het minimum loon te boven gaat en op de vakantietoeslag. Voor de goede orde: inhouding van loonbelasting en pensioenpremies zijn wel toegestaan. Inhoudingen op basis van de cao of bijvoorbeeld ANW-gat of WIA-hiaat, boetes, bijdrage personeelsvereniging, kosten ziektekostenverzekering zijn niet meer toegestaan, voor zover hierdoor minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.
  • Verrekening is niet meer toegestaan indien dit ertoe leidt dat er minder dan het netto equivalent van het minimumloon wordt uitgekeerd. Dit geldt niet als het gaat om een verrekening van een voorschot.

Loonstrook/specificatie (wijziging per 1 januari 2016)

U bent gehouden om het loon te specificeren. Vanaf 1 juli 2016 bent u verplicht een onkostenvergoeding op de loonstrook te specificeren als deze kostenvergoeding niet naast het loon is overeenkomsten, maar onderdeel uitmaakt van het overeengekomen loon. Er mag dus niet worden volstaan met de algemene omschrijving “onkostenvergoeding”. Het moet duidelijk zijn waarvoor de kostenvergoeding wordt gebruikt. Als dit niet gebeurt, kan aan werkgever een boete worden opgelegd.

Wilt u meer weten dan kunt u terecht bij Marlies Oogjen, advocaat arbeidsrecht.

« terug | meer nieuws »