Het strafrecht in sport- en spelsituaties

Ingevoerd op 5 oktober 2018

Wanneer worden in een sport-en spelsituatie de strafrechtelijke grenzen overschreden?

Het antwoord daarop is niet één, twee, drie te geven, omdat of en wanneer er sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid in sport- en spelsituatie, dit afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Overtreding van de spelregels, of dit nu voetbal of een andere sport betreft, is op zich niet - in strafrechtelijke zin - bepalend.

Grosso modo kan gezegd worden dat er geen strafrechtelijke aansprakelijkheid is als de overtreding als het ware door het spel wordt bepaald.

Wanneer fysiek ingrijpen van een sporter redelijkerwijs niet meer verbonden is met het spel, komt de strafrechtelijke aansprakelijkheid aan de orde. Hoe daar mee om te gaan is niet eenvoudig aan te geven, nu immers deelnemers aan een sport tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen, waartoe het spel kan uitlokken, van elkaar  verwachten.

De grenzen worden bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport mede bepaald door die spelregels. Bij overschrijding van grenzen tussen spelers buiten een spelsituatie en bij overschrijding van de grenzen binnen een spelsituatie kan van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake zijn.

Deelnemen aan (bepaalde) sporten houdt het risico in dat je met een blessure te maken krijgt door toedoen van een ander. Daar word je niet vrolijk van, maar dat risico neem je nu éénmaal als je aan die sport deelneemt.

Maar is het niet zo dat je er geen moment aan denkt dat er een strafrechtelijk vervolging in de lucht kan hangen voor jouw actie(s) in het veld?

In het recent - op 25 september 2018 – door de Hoge Raad der Nederlanden gewezen arrest (ECLI:HR:2018:1769) zijn de van belang zijnde overwegingen herhaald die in het op 22 april 2008 gewezen arrest reeds zijn neergelegd.

In het hiervoor genoemde laatstelijk gewezen arrest was – ook – aan de orde een in het voetbalspel uitgevoerde (tackle) sliding met lichamelijk letsel als gevolg.

Degene die de sliding had ingezet had verklaard de bedoeling te hebben gehad om balbezit te krijgen, waarmee in feite ontkend werd dat de opzet was gericht op het toebrengen van letsel.

Het gerechtshof Den Haag overwoog in het arrest, dat in cassatie tot voornoemd arrest van 25 september 2018 heeft geleid, het volgende:

Naar het oordeel van het hof was de kans dat ( betrokkene 1) door de actie van de verdachte geraakt zou worden, ten val zou komen en dat daardoor pijn of letsel aan ( betrokkene 1 ) toegebracht zou worden wèl aanmerkelijk. Bij het maken van een sliding tackle neemt de speler bewust het risico dat hij zijn tegenstander raakt en/of ten val brengt. Voorts is er voor een sliding tackle altijd ruimte nodig; als een sliding tackle van te dichtbij wordt ingezet valt de aangevallen speler vrijwel zeker over het (uitgestoken) been van zijn tegenstander. Het is een feit van algemene bekendheid dat het aantal blessuren ten gevolge van acties die sliding tackles worden genoemd groot is. Het hof gaat ervan uit dat het – gelijk de verdachte heeft verklaard- de bedoeling van de verdachte was balbezit te krijgen. Door dit op voornoemde wijze te doen heeft hij zich niet alleen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever pijn of letsel zou oplopen ten gevolge van de sliding tackle, maar heeft hij die kans ten tijde van de gedraging  bewust aanvaard (op de koop toegenomen).

In het genoemde arrest  van 25 september 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het (voorschreven) oordeel van het gerechtshof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Met genoemde gerechtelijke uitspraken blijft het lastig om precies aan te geven wanneer iemand in een sport- of spelsituatie de strafrechtelijke grenzen overschrijdt.

De ernst van overtreding en letsel lijkt (mede) bepalend te zijn.

Bram van Roo, advocaat strafrecht

« terug | meer nieuws »