Alimentatie tussen ex-samenwoners: pas op bij gewijzigde omstandigheden!

Ingevoerd op 18 maart 2016

Voor partners die ongehuwd (en zonder geregistreerd partnerschap) hun relatie verbreken, bestaat geen wettelijke verplichting tot het betalen van een alimentatie. Uiteraard staat het hen wel vrij om hier afspraken over te maken: hetzij in de samenlevingsovereenkomst, hetzij in de overeenkomst die wordt gemaakt in het kader van de beëindiging van de samenleving.

Maar wat nu als de in dit verband gemaakte alimentatie afspraken later gewijzigd moeten worden? Bijvoorbeeld omdat de alimentatieplichtige zijn baan kwijt is geraakt en verminderde draagkracht heeft. Is dan een beroep op gewijzigde omstandigheden, zoals we dat kennen bij een alimentatieverplichting die op de wet is gebaseerd (dus bij partners die met elkaar waren gehuwd dan wel een geregistreerd partnerschap hadden) überhaupt mogelijk? Daarover wordt in de rechtspraak  verschillend geoordeeld.

De Rechtbank Zeeland-West Brabant oordeelde in een uitspraak van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:4426) dat ex-samenwoners geen wettelijke verplichting hebben om in elkaars levensonderhoud te voorzien, maar wel een dergelijke verplichting overeen kunnen komen. Als zij dat doen, dan zijn op deze overeenkomst de bepalingen van het civiele recht (boek 6 BW) en niet het familierecht (boek 1 BW) van toepassing. Artikel 1:401 BW (dat het mogelijk maakt om een overeengekomen of vastgestelde alimentatie te wijzigen bij gewijzigde omstandigheden) is, aldus de rechtbank en onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad, niet van toepassing op een tussen ex-samenwoners overeengekomen onderhoudsverplichting.

De man in deze zaak kwam bedrogen uit en zag zich opgehangen aan een alimentatie die niet, althans niet door de familierechter op basis van de beginselen van boek 1 BW, gewijzigd kon worden.

Vooruitstrevend is dan ook een geheel andere visie van de Rechtbank Utrecht in een uitspraak van 7 november 2007 (ECLI: NL:RBUTR:2007:BB8278). In deze zaak verklaarde de rechter een wijzigingsverzoek ontvankelijk en beoordeelde dit verzoek door wél aansluiting te zoeken bij artikel 1:401 BW. De rechtbank overwoog: “dat ten tijde van het doen opmaken van de overeenkomst het naar het oordeel van de rechtbank de bedoeling van partijen was dat de man een alimentatie aan de vrouw zou voldoen. Partijen hebben de overeenkomst daartoe ook ‘overeenkomst inzake alimentatie’ genoemd en zijn voor wat betreft de duur van de verplichting uitgegaan van de beginselen van het alimentatierecht uit boek 1 BW. Voorts zijn partijen uitgegaan van de zogenaamde Trema-alimentatienormen.” Of de overeenkomst al dan niet is aangegaan om fiscale redenen acht de rechtbank in deze zaak niet van belang. In andere zaken was dat wel een aspect waar waarde aan werd toegekend. Wel relevant achtte de rechtbank dat de man zich had verbonden om met ingang van een bepaalde datum een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, en daar ook uitvoering aan had gegeven. Voorts werd waarde toegekend aan de omstandigheid dat de alimentatieverplichting zou eindigen als de vrouw zou gaan samenwonen met een ander.

Op basis van de weinige uitspraken die over dit onderwerp bekend zijn, kan wel een voorzichtige lijn worden ontdekt. Namelijk is eerst van belang om vast te stellen met welke bedoeling partijen de alimentatie afspraken hebben gemaakt (de zgn. Haviltex toets). Kunnen de gemaakte afspraken worden gekwalificeerd als een alimentatie overeenkomst? De volgende omstandigheden kunnen daarbij van belang zijn:

  • of de afspraken schriftelijk werden vastgelegd
  • of de bijdrage fiscaal aftrekbaar zou zijn
  • of de overeenkomst beëindigd zou worden als de alimentatiegerechtigde zou gaan samenwonen met een nieuwe partner
  • of in de overeenkomst aansluiting is gezocht bij de bepalingen van Boek 1 BW
  • of partijen in de overeenkomst de toepasselijkheid van artikel 1:401 BW (wijzigingsmogelijkheid) hebben opgenomen
  • of bij de vaststelling van de hoogte van het alimentatiebedrag aansluiting is gezocht bij de TREMA normen.

In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat hoe specifieker de betreffende afspraken kunnen worden geduid als alimentatieovereenkomst, hoe meer aanwezig de kans is dat deze afspraken gewijzigd kunnen worden op grond van artikel 1:401 BW. Verdedigbaar is ook dat het ‘veranderlijkheidsbeginsel’ van alimentatie maakt dat de weg om wijziging te vragen van een eerdere afspraak of vaststelling niet te snel mag worden afgesneden (bron: Wenk bij uitspraak Rechtbank Zeeland-West Brabant van 8 juli 2015, RFR 2015/130).

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in deze bijdrage niet is ingegaan op de fiscale consequenties van alimentatie afspraken tussen ex-samenwoners. Om de betaalde alimentatie fiscaal te kunnen aftrekken, is het evenzeer van belang dat de afspraken door een (fiscaal) deskundige worden beoordeeld.

Win dus vooraf specialistisch advies in voor het geval u alimentatie afspraken wilt vastleggen bij het aangaan van een samenlevingsovereenkomst dan wel de beëindiging daarvan. Zoals vaker geldt: voorkomen is beter dan genezen.

Marie-Louise van As, familierechtspecialist Van As advocaten Nieuwegein

« terug | meer nieuws »